donderdag 28 juni 2012

Ik weet het al hoor




Dat ze gaan winnen vanavond, die Italiano's. Maar het wordt vast een spannende wedstrijd. zonder corruptie of zo. Best apart wel, dat het team de 'Azzurri' ,'de Blauwen' wordt genoemd. Zie je niks van terug in de vlag. Nou ja, hebben we in Nederland ook geen last van, toch? Maar da's natuurlijk het koningshuis, dat met dat oranje en die leeuw. Zou dat azzurro dan misschien van het Italiaanse blauwe bloed komen? Van die Victor Emanuel? De man die Haile Selassi wegjoeg uit Ethiopië om zichzelf er tot keizer te kronen.


Wacht, nee, Italië ìs helemaal geen monarchie meer. Maar een republiek. Een soort bananenrepubliek, met kiwi en aardbei.
Dat kleurt mooi samen.
Best sneu voor ze, zo zonder koning.
Weet je wat, ze krijgen een kroontje.
Vers gerooid en speciaal door Kees gesneden.

Italianen houden van mooi eten. 
En van mooi voetbal. 
En van mooie jongens. 
Net als ik trouwens.  




 
Mijn drietal speelde vanavond ook. 
Op een iets kleiner speelveld. 
In de steeg. 
Ik was de enige toeschouwer.
Lux hè. 
Ze hadden mooie kleuren aan. 
'de Duitse vlag', zei ik enthousiast.
Maar dat had ik dan weer mis.





dinsdag 26 juni 2012

Mijn dominoom

Station Zwolle. Stromende regen. Mijn nicht, zijn voormalige schoondochter, haalt me op. We drinken koffie en praten bij. Over ouders en kinderen, over ziekte, zoeken en sterven. Samen wachten we op mijn vader. Zijn trein uit Amsterdam heeft vertraging. Het is zomer. Het is koud.

Even later rijden we met zijn drieën door een lommerrijk, maar drijfnat landschap. Hier preekte hij, vlak na zijn pensioen. Nu ligt hij er zelf. Hij wil niet meer, zegt hij, bij monde van zijn zoons. Want als ik naast hem zit, en zijn hand vasthoud, zwijgt mijn oom. Hij slaapt.

'Ik ben het', zeg ik zacht en noem mijn naam. Dezelfde naam als die van zijn eerste vrouw, die doodging toen ik nog klein was. Mijn tante was dolblij toen ze via de telefoon hoorde dat ze werd vernoemd. Mijn nicht met wie ik hier nu ben, stond toen naast haar. Dat verhaal kende ik niet. Net als andere verhalen die ik hoor. Dat mijn oom op zaterdag 'onder hoogspanning' zou staan, omdat het schrijven van de zondagspreek soms stress gaf naar het schijnt.

Mijn vader logeerde als jongetje wel eens in de pastorie. Bij zijn zus, die al het huis uit was en was getrouwd. Met een dominee. Dat gaf wel status, zij was 'de mevrouw' en mijn vader dus 'het broertje van mevrouw', maar er was vaak weinig geld. Soms kregen ze een dode haas of een levende kip. Loon in natura. Mijn oom en tante wisten er geen raad mee. Schijnen zelfs een keer een tapijt te hebben uitgerold om de kippen terug in het hok te krijgen. Het was vaak koud. In dat grote huis naast de kerk. Een tafeltennistafel bood soms soelaas. Ik weet er allemaal maar weinig van. Maar mijn oom kon goed vertellen. En had een goed geheugen. Daar dacht ik zondag aan, toen ik zijn hand vasthield en afwisselend keek naar zijn slapende gezicht en de foto op de vensterbank. Waarop de lachende vrouw stond naar wie ik ben vernoemd.

Zou hij ook vaak zelf zo hebben gezeten? Aan een ziekbed of sterfbed? Bij mensen uit zijn gemeente in Surhuisterveen, Arnhem of IJmuiden? Of hier vlak om de hoek, op de plek waar hij als jonge dominee als eerste werd beroepen, in het Ommelanderwijk van de jaren vijftig?

In de trein terug naar Groningen lees ik 'Millemorti' uit. Na een zwaarbewolkte, donkere dag klaart het 's avonds toch nog op. Een gouden gloed valt over de stad.

Mijn oom werd zondag, eergister, wonderwel nog even wakker. 'Hij zei niets verstaanbaars meer maar begreep alles knikte met zijn hoofd.' Zo lees ik in de sms van mijn zus. Die even was overgekomen uit Berlijn, voor een laatste groet aan onze laatste oom.


Vanmiddag oom twee uur is de dominee gestorven. Hij wordt maandag begraven. Niet naast mijn naamgenoot, die ligt op Texel. Want, zo zou zij gezegd hebben, je wordt begraven in de gemeente waar je sterft.
Het is goed zo.
Rust zacht oom.
Tot maandag. 

woensdag 20 juni 2012

Rápido, el árbol de los cuentos, progreso


Y entonces mi parte de la moto y yo realmente no sabía era que yo tenía, parece a mí, que tal vez podría echar un vistazo no tienes de lo que es un escándalo el borde de la quiebra."

Zoiets zei hij, tegen niemand in het bijzonder, maar waarschijnlijk in de microfoon van zijn mobiel. Geluid van schrapend metaal overstemde hem. Toen sleepte hij zijn fiets, of wat daar van over was, de stoep op, zette het ding in het fietsenrek en, macht der gewoonte, op slot. Ik kon hem niet verstaan, het ging me te rap. Rap? dat komt natuurlijk van rápido.... nóóit bij stilgestaan, wordt me de titel voor dit logje toch zomaar in de schoot geworpen! Goed, ik verstond er dus geen jota van. Of 'gota', zo je wilt.

Die bici (als je die drie keer door googletranslate heenloodst, wordt het vanzelf een 'moto', ach nou ja, tweewielers, whatever) of in dit geval dus eenwieler, die staat daar nu al een tijdje, inmiddels voorzien van een rode sticker, zodat de gemeente weet dat ie weg mag. Best een zielig gezicht. Nog zieliger lijkt het me om te zien hoe die Spanjaard er doorzakte. Doe je mee aan één of ander uitwisselingsproject, krijg je een spoedcursus Groninger studentenleven in de vorm van veel bier en veel fietsen, zak je zomaar door je achterpoten. Kan gebeuren. Shit happens. Sucede.

Wat ik niet snap is waarom er nu wc-papier aan die fiets hangt. Ook op de fietsen ernaast. De vorige keer dat ik papel higiénico door de lucht zag vliegen was in Buenos Aires. Toen ik, samen met mijn toen twaalfjarige zoon, op de tiende verdieping van hotel Ushuaia naar beneden keek. Het was bloedheet op die laatste dag van 2003.  Op één januari zou de zomervakantie beginnen. Eerst zag ik wat papiertjes uit een raam vliegen. Even later volgden hele dossiers en op het balkon naast ons werden rollen wc-papier als serpentines in de lucht gelanceerd. Binnen de kortste keren lag de hele straat vol papier. Ik ben er nooit achter gekomen waarom dat was. Wie het weet mag het zeggen.

Wel weet ik dat ik op diezelfde reis mijn eerste schreden zette op het pad van de digitale schrijverij. Papierloos. Ik deed in Argentinië zoveel rare, nieuwe indrukken op die ik wilde delen, dat ik in elk internetcafé als een bezetene alles neertypte en de verhalen met één muisklik naar enkele lezers aan de andere kant van de oceaan mailde. Vreselijke Spaanse toetsenborden (de Duitse zijn ook een ramp). Drie jaar later ontdekte ik de charme van een blog. Waar tot voor kort geen hond kwam lezen. Langzaamaan kroop ik uit mijn schulp en kwamen er meer mensen lezen. Maar na zo'n 260 logjes, waarvan er 180 zijn gepubliceerd, tienduizend pageviews en 300 reacties verder, is het mooi geweest.

Misschien dat ik de aantekeningen over een Argentijns bejaardenhuis en vliegend toiletpapier eens kan uitwerken. Of de avonturen die ik beleefde in Iran, vier jaar geleden. Waar ik per ongeluk een paar vrouwen van een hurkplee joeg en een ijsje kreeg van een taxichaufeur in Teheran die keihard 'the Wall' van Pink Floyd draaide: "We don't need no education, We don't need no thought control. 

Hoewel, deed ik dat niet al? En zonden de uitgevers aan wie ik mijn verhaal liet lezen, het niet allemaal keurig retour? Kan ik misschien toch beter mijn Spaans bijspijkeren. Ter voorkoming van wartaal als hierboven. Wordt ik ook niet meer uitgelachen door Spaanse obers als ik de rekening, la cuenta, wil betalen, maar in plaats daarvan om een verhaaltje, el cuento, vraag. Of was het juist andersom? Ik kan weer accordeon gaan spelen, dwarsfluit, Farsi leren, actief worden in de politiek, mentor worden bij het 'School's coolproject'. Er is veel. 

Hoe dan ook, zes jaar is een mooie tijd voor 
handdoeken en ringen, het breien van einden en het zetten van punten. 

Het is nu de langste dag van het jaar. Heb ik mooi nog even tijd om af te kicken richting zomer. Het rookloos leven lijkt me dit keer ook te lukken. Hoewel het nicotineduiveltje nog altijd daar is en de verhalenboom (el árbol) al was geworteld voordat ik mijn eerste puberale sigaret opstak. Maar, zoal Mercedes Sosa, alias la Negra (ik zag haar life in de jaren '80 in Amsterdam, haar optreden in Groningen in 2009 ging niet door, ze overleed een maand eerder), zingt: "Y así como todo cambia, Que yo cambie no es extraño" En als alles verandert, is het niet vreemd dat ik verander.

 













Creo que a eso le llaman progreso. 
Dat heet volgens mij vooruitgang.

zondag 17 juni 2012

Zossen en Hollande


Terwijl artistiek, alternatief of gewoon cultuurminnend Groningen zich per veer of zeilboot naar Terschelling heeft gespoed, ter ere van het Cannes van het lokatietheater, beter bekend als Oerol, bevind ik me, tussen de buien door, nog steeds in de Martinistad. Angstvallig hou ik buienradar in de gaten. Want komende week is het weer tijd voor het buitenschilderwerk. Leek me slim qua planning. Want, zo dacht ik, zomer = warm = droog. Maar dat klopt dus gewoon niet. Ben zeker nog blijven hangen in mijn Italiëtijd. Waar alles overzichtelijk en voorspelbaar is. Politici zijn er corrupt, wie vrijwillig belasting betaalt is mesjokke en na een koude winter volgt een droge zomer. Maar un estate Olandese is dus nat, koud en vooral wisselvallig.

Ik had het kunnen weten. Een duik in het archief van dit (ik krijg 'deze' niet over mijn lippen) blog leert me dat ik een jaar geleden, op vijf juni, bijkans verzoop in het noodweer. Een week later plaatste ik foto's van nieuwe dreigende luchten en wat werk betreft herinner ik me vooral veel gedoe met dekzeilen op steigers en te hoge ladders bij harde wind. Ook in de rest van Europa was het mis. Het was een wonder dat we in dat kampeerweekje níet zijn weggedreven. We zaten bij toeval in het enige stukje Frankrijk waar het droog bleef. Zuslief smste vanaf haar zuidelijker gelegen werkcamping, hoe de blubber het -pas gepoetste- sanitair inliep en hoe ze in de stromende regen in haar tentje zat te koken. 

Maar gelukkig scheen in juni 2011 ook wel eens de zon.
In Zossen bijvoorbeeld. Dat onder de rook van Berlijn ligt.
We gingen erheen met de draisine.


Met de watte?
Met dit ding:

video


En ze hebben daar nog meer. In dat gat in de voormalige DDR. Je kunt er voor een schijntje huizen kopen. Of oude stations. Misschien moet ik binnenkort maar weer 's Oostwaarts. Moet ik wel nog even een Umweltsticker regelen. Want met mijn vieze diesel mag ik de Berenstad niet meer in. Of wacht, waarom trekken ze dat dat draisinespoor niet gewoon door naar Groningen? Of Rotterdam, Schiphol, Breda? Waar nu de Fyra nog rijdt. Die miljoenen verliezen lijdt. Het is weliswaar geen hsl, maar wel klimaatneutraal. Misschien kan je er zelfs stroom mee opwekken. Volgens mij heet zo'n ding ook wel een goudkarretje.

En als we die draisine laten doorrijden naar de Élysée, kan Hollande er zo mee naar Merkel.  Dan zet ie zijn huidige en eerdere liefjes Valérie en Ségolène, beter bekend als Trierweiler en Royal aan het roer. Kunnen ze mooi wat geld rondpompen en hebben ze gelijk hun handen niet meer vrij om elkaar van de troon te twitteren. De slagboom kunnen ze om beurten openen en op de tussengelegen stations kunnen ze fijn de benen strekken op van die Zossener Fahrader. Waarmee je met je zadel moet trappen of het voor- en achterwiel dwars kunt zetten. Best lastig hoor. Een Europese crisis is er niks bij.


















Intussen is het zondag en regent het alweer. Of nog steeds. De radijzen barsten open. Op Terschelling zullen ze wel dicht tegen elkaar aankruipen. Of ik morgen kan schilderen valt te bezien.
Weten jullie trouwens wat Oerol betekent.
Nee? Ik ook niet.
'Overal'.
Om met Loesje te spreken:

Met mijn gedachten ergens anders ben ik altijd overal. 










zondag 10 juni 2012

Komt een vrouw bij de


Laat ik die zin maar niet afmaken. Ik ben niet zo bekend met de auteursrechten in blogland. Pochen dat je kind op een filmster lijkt mag misschien nog nèt, maar dit riekt vast te veel naar misbruik. Heel Nederland weet intussen wel waar die vrouw kwam.

Ook ik moet misschien maar 's naar een dokter. Voor mezelf. Niet voor 'n ander, zoals ik vorige week deed bij de bloedbank, waar de dienstdoende arts me er op wees dat niet alleen mijn ijzergehalte maar ook mijn bloeddruk te laag was. Iets beter voor mezelf zorgen dus. Mijn eigen huisarts sprak ik trouwens ook al. Maar dat ging dan weer over hypotheken, Afrika, drugs en de klassenverdeling. Dat heb je zo, met een dokter die kinders heeft op dezelfde school als je eigen kroost. 

Ok, prima, geen dokter dus. Dan gaat die vrouw toch gewoon naar de markt. En niet naar de gewone markt. Nee, dit was een heuse een-uur-voordat-het-Nederlands-elftal-moet-spelen-markt. Da's net zo zeldzaam als die Venus die eerder deze week voor de zon langs ging. Ik zag het niet, want ik was niet op Ameland. En in de rest van het land was Venus afgeschermd door een dik wolkendek.

De aardappelman wist me bij het volscheppen van een zak muizen nog vrij relaxed te melden dat je die lekker in de schil kunt koken (vast geen voetballiefhebber). Ook de kaasvrouw was in voor een babbel. Ze vroeg hoe het met de vriendin van de vriendin was, die al twee keer was geopereerd aan een hersentumor. En toen ze vorige week kennis had genomen van mijn status van gescheidene (Goh, jee, echt wáár meid?) gaf ze me, met invoelende blik, een stuk kaas kado. Ik nam me voor om me dit keer ook vol overgave in het roddelcircuit te storten van de sociale kant te laten zien. Maar ik sloeg de plank mis. Want de man naar wie ik beleefd informeerde bleek al drie jaar dood te zijn. Kanker. Moest ik haar nu condoleren? Me excuseren? Ik mompelde iets vaags over het door elkaar halen van namen, betaalde en liep verder. Gelukkig had ze het druk met een kudde Duitsers die na mij kwam.
 
Nu ging het er om spannen. De fruitman had zijn appels al onderop de kar gezet. 'Doe maar tien kiwi's', het eerste dat ik zag, 'en een doos aardbeien' en weg was ik. De A-kerk wees vijf uur aan. De poelier was zijn kar al van het plein af aan het manoeuvreren. Oranje leeuwen fietsten, laverend met sixpacks bungelend aan het stuur, tussen de marktkarren door. De groenteman maakte er geen geheim van en zei, meer geïrriteerd dan verontschuldigend: 'Ja, hoor 's, ik wil de wedstrijd zien' en drapeerde zijn zeil over de broccoli. Geen groente dus.

Het leek alsof op elk moment een onweersbui kon losbarsten (gister, vrijdag, was ècht de bliksem ingeslagen in de Herestraat). De bloemenboer reed zich klem en stond met zijn neus bijna tegen de SUV van de Belg die zijn friettent wegsleepte. Achteruit rijden was onmogelijk. Ze blokkeerden beiden het fietspad voor de Korenbeurs, dat toch al volstond met barrels omdat iedereen nog gauw iets lekkers wilde scoren bij de AH. Er stonden welgeteld nog zes pijpjes pils van mijn favoriete merk in het allerlaatste krat. Voetbal op de buis betekent bier in je kruis. 
   
Het was leuk geweest om de tijdstippen te noteren waarop de oerkreten opstegen uit de stad. En dan de toonhoogte of lengte van het gebrul te verbinden met doelpunten of gemiste kansen. Vergelijkend onderzoek doen. Met hoe apenkreten klinken of wat het met seks van doen heeft. Want soms leek het alsof heel Groningen tegelijkertijd (bijna) tot een hoogtepunt kwam. Na afloop hoorde ik dat Nederland met 1-0 verloor tegen de Denen. Arme Denen. Kunnen ze voorlopig niet rustig over hun markt struinen. Misschien hadden ze seks gehad voor de wedstrijd. Of juist niet. Ik las deze week een artikel over onderzoeken (meer het gebrek hieraan) die aantoonden dat dit voor sporters prestatieverhogend (of juist verlagend) zou werken. Over spieren, aandacht en het 'knuffelhormoon' oxytocine. Misschien moest ik maar 's onderzoeken of er nog dansgrage gedesillusioneerde manspersonen in de stad zijn.

Ik stuur een sms. Of hij nog gaat dansen. 'Als je me vraagt', luidt het antwoord. Tja. Het is laat. Nachtrust is een goed medicijn voor je weerstand. Hij vraagt of ik bij hem kom. Maar ik ga slapen. Ik hoef geen wedstrijd te winnen.

Zondagochtend eet ik verse radijsjes uit de kindertuin.
Die zijn rijk aan ijzer naar het schijnt.

Un ravanello al giorno, toglie il medico di torno
(a radish a day keeps the doctor away).

Er komt geen vrouw bij de dokter.
En ook niet bij de groenteboer. 

Een gezonde zondag allemaal!







donderdag 7 juni 2012

Occuperry

8.45 u. Donderdagochtend. Gewapend met mijn beitels fiets ik langs de vismarkt. Waar tentjes staan.
Niet één of twee, maar wel tien, twintig. Terwijl ik me in het fietsspitsuur al slalommend een weg baan naar de plek waar ik mijn gereedschap weer scherp kan slijpen, overpeins ik het tafereel. En trek conclusies. Ongewild.

Tenten? Binnenstad? Dat is vast van de occupybeweging. Maar die stonden toch op dat veldje achter de mediamarkt? Met een hek er om heen en al? Zouden ze daar zijn weggejaagd? Er stonden wel 's bloemetjes buiten, en een in het gras geprikt bordje met: 'Als het milieu een bank was, was het al lang gered'. Of zoiets. Een klant van mij, die net is verhuisd naar een koophuis (ja zeker lieve lezers, er zíjn mensen die heden ten dage een huis kópen), en er van baalde dat ze haar pas gelegde, gave laminaat uit haar huurwoning moest slopen, gaf het toen maar aan de occupiers kado. Die waren er erg blij mee, zei ze. Maar ik vroeg me af, toen ze dit vertelde terwijl we de stand van zaken van de badkamer in haar nieuwe woonst doorspraken, wat moet men in vredesnaam in een tènt met laminaat? Of zouden ze het willen opstoken? Zal wel gaan stinken dan.

Ook dacht ik, op deze dag waarop het volgens de radioweermannen tien graden kouder is dan het moet zijn; 'wat moet een occupymens nu met zulke dure schoenen, zo'n nette jas?' En de tenten oogden ook al zo strak en nieuw. Occupiers waren toch meer van die rasta-, geitenwollen- en Chileens macramé types? En hoe moet dat morgen nu met de markt? Wordt zeker tussen de tentjes door opgebouwd. Of zo. Misschien is occupy wel synoniem voor 'dwalend rijkeluiskind dat met drie voortijdig afgebroken studies -'Het voelde niet oké, weet je'- plots de wereld wil redden met behulp van een dikke oudertoelage'. Maar dat ondertussen, na een koude natte winter in een klamme tent, zo enorm verlangt naar een echt huis, dat zelfs laminaat leggen in een tént een optie is. Zoiets dacht ik dus. In die drie seconden dat ik langs de markt fietste.

In de werkplaats besloot ik zelf de decadente klusser uit te hangen en de beitels te láten slijpen.
 
Heen en terug naar mijn werk nam ik via de autoradio kennis van wat er zoal werkelijk gebeurt in Groningen. Rond de beide markten. Er is geld tekort. Dus moet òf de herinvoering van de tram òf de aanpak van de zuidelijke ringweg worden geschrapt, burgemeester Rehwinkel zal vanmiddag de eerste Duitstalige gids voor Groningen presenteren bij het VVV-kantoor en het college van B&W wil dat de 'warenmarkt' (ik leer elke dag nieuwe woorden bij, even herkauwen hoor: 'wárenmarkt') op de Grote markt binnen vijf jaar zal verdwijnen. Ook hoor ik dat een grote tent van occupy kort geleden afbrandde. Dat zet mijn hersenkronkel omtrent het opstoken van laminaat in een iets ander daglicht. Deze hele alinea kan natuurlijk weg, iets met 'kill your darlings' of zo. Ik laat het lekker toch staan. Leuk voor later (waar gáát dit over?). Ik moet nog veel leren. Beitels onder een goede hoek slijpen bijvoorbeeld. Ook wat schrijven door te schrappen. Ook qua titels. Die mag de clou natuurlijk niet verraden. O ja, een clou. Een plot. Ook donderdagen hebben natuurlijk een middag. Waarop kinders èn beitels moeten worden opgehaald van leer- en werkplaats.

13.45 uur. Ik fiets opnieuw door de stad langs de Vismarkt. De tenten staan er nog. Naast elke tent wappert een rode vlag. Met witte letters. De stadscamping blijkt een actie te zijn van een plaatselijke sportzaak. Om zo haar nieuwste vakantieonderkomens onder de aandacht te brengen. Vanmorgen speet het me nog dat ik geen foto kon maken. Nu ben ik blij dat ik nog steeds geen camera heb. Had ik toch bijna gratis reclame gemaakt voor Occuperry Sport.

dinsdag 5 juni 2012

Un mese fa



Voor- en napret is net zo fijn als vakantie zelf. Zeker nu. Omdat ik mijn camera niet kan vinden. Kwijt zal ie niet zijn, hooguit verstopt. Meestal vind ik namelijk alles weer terug.

Na ons uitstapje naar Zoutkamp heb ik geen foto's meer gemaakt. Dus plaats ik hier plaatjes van 'un mese fa'. Oftewel: 'een maand geleden'.

 Van toen Kees mierzoete taart uitzocht in de pasticceria. Waar per ongeluk drank in zat, maar die uit zuinigheidsoverwegingen tòch op moest volgens de jongens. Zodat ik een poging deed de rest aan de zwerver te slijten die sinds tien jaar in een badhokje aan het strand woont, maar die ik op de dag van ons vertrek niet 'thuis' aantrof, zodat we de taart alsnog tot de laatste kruimel oppeuzelden, met plastic roerstaafjes, op het vliegveld van Brindisi, waar ook werd getekend.

We zwommen in de Palude del Capitano, waar veel vis was en ook een haan leek te kraaien. Maar het was mijn mobiel, met felicitaties voor Kees. We openden het putdeksel en spiegelden ons in het stilstaande water, aten zee-egel, gaven ons laatste brood aan een illegaal vissende Marokkaan en probeerden Uno te spelen zonder dat de kaartjes in zee woeien. Kees onderzocht of strandmieren de sinaasappel lusten die we een dag eerder in Olijf haar tuin hadden geplukt.

'Laggiù', 'daar beneden'. Zoals men in Italië alles aanduidt dat zuidelijker, of dichter aan zee ligt dan de plaats waar je je bevindt. En giù was het, daar in de hak van de laars, in Apulië, in Gallipoli, Otranto, Taranto, Manduria en Grottaglie. In de Salento, streek zonder bergen of rivieren maar met heel veel ander moois. Zoals de zee en de zon. Die we allebei mee terugnamen naar Nederland, in de rode rugzak die Kees kreeg voor zijn achtste verjaardag. Mee naar 'lassù', 'naar boven'. Waar ik ook gelukkig ben. Net als in dat grijsgedraaide liedje van Modugno. Van 54 jaar geleden. Evergreens in zwart-wit te over in Italia. Deze van Carosone, ook uit 1958, is eigenlijk leuker. Schalt nu gepimpt en wel opnieuw over de dansvloer. Vol zelfspot. 'Je beter voordoen dan je bent'.
Zijn ze daar goed in, laggiù.
Sú-giù,
boven-beneden,
noord-zuid, hemel-aarde, zwart-wit.
Maar ik doe deze toch maar in kleur.