zondag 10 december 2017

Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

Op radio 1 werd de 'toelage'of ' bijstand' zo je wilt, die enkele leden van het koninklijk huis ontvangen besproken. Carla van Baalen, hoogleraar parlementaire geschiedenis, heeft het uitgezocht. Rutte had dat gevraagd omdat hij er zelf niet helemaal uitkwam.

De kwestie van de financiering van het koningshuis lag, zo viel te beluisteren, 'gevoelig'. En dat ligt het nog steeds. De kabinetten Cals en De Jong hebben zich er eind jaren zestig, begin jaren zeventig over gebogen. Ook Den Uyl speelde er nog een rol in, toen het voortbestaan van de monarchie even onzeker leek. De gevoeligheid wordt vooral beïnvloedt door de persoonlijkheden die er toe behoren. Bernhard maakte het koningshuis minder geliefd, bij Maxima is het tegenovergestelde het geval.

Ook komt de term 'deal' ter sprake. En dan vooral de connotatie van dit woord. Een deal zou een gevolg kunnen zijn van een weinig transparant soort handjeklap waarna een overeenkomst volgt waar een luchtje aan zit. 'Rafelrandje', noemden ze het op de radio. Maar, zo zei van Baalen, zowel het kabinet als de Tweede Kamer zijn steeds ingelicht. Al bleek het door de ingewikkeldheid van vergoedingen vaak lastig om overzicht te krijgen. Vandaar Ruttes verzoek.

Maar wat mij vooral opviel in dit vraaggesprek, was dat de toelage van de oranjes eens te laag zou zijn, dat Juliana (mogelijk onder druk van Bernhard) zogezegd 'niet uitkwam' en daardoor haar vermogen moest aanspreken. En dat, zo zei de presentator 'kon toch niet de bedoeling zijn'.

Huh, 'niet de bedoeling'? Waaróm niet en van wie niet?  Ik begrijp dat het bij een vorst moeilijk is om onderscheid te maken tussen privé en werk. Hij of zij ìs zijn werk, bij geboorte. Het is dan lastig om vast te stellen of de paardenverzorger, jurk of reis naar de Cariben onder werk of privé vallen. Maar ik begrijp toch niet waarom zo'n toelage afhankelijk moet zijn van de uitgaven.

Een vergoeding vanuit de overheid wordt toch verleend bij het ontbreken van een 'voorliggende voorziening'?  Als een 'gewone' uitkeringsgerechtigde zuinig omgaat met zijn of haar geld, en boven een door de overheid vastgestelde norm aan maximaal vermogen uitkomt, wordt die uitkering stopgezet. Het is dan de bedoeling dat hij of zij (een tijdje) van de opgebouwde reserves leeft.

Hetzelfde geldt voor het woud aan toelagen waar mensen in Nederland een beroep op kunnen doen als hun inkomen niet toereikend is èn hun vermogen te laag is om in hun noodzakelijke eerste levensbehoeften te voorzien. Voor dat inkomen en dat vermogen zijn tot op de euro nauwkeurige maxima vastgelegd.  Heb je meer, dan ook geen toeslagen. Zo werken uitkeringen in Nederland. Het is dus juist wèl de bedoeling om je vermogen aan te spreken als je geld vraagt aan de regering en niet, zoals bij de oranjes als 'logisch' wordt voorgesteld, omgekeerd. Wat is er mis mee om, als je aan het eind van de maand niet uitkomt, je vermogen aan te spreken?

In artikel 29 (uit 1972) van het bijna driehonderd pagina's tellende rapport staat ook dat degene die trouwt met de kroonprinses, een jaarlijkse toelage van twee ton (guldens) krijgt. Best bijzonder als je bedenkt dat voor onderdanen het omgekeerde geldt. Bij trouwen of samenwonen wordt je namelijk voordeurdeler en wordt er van uitgegaan met minder steun van de overheid toe te kunnen.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over 'de deal' met betrekking tot het betalen van belasting over inkomsten uit vermogen. De redenatie van de belastingdienst was tot voor kort dat vermogen inkomsten kan genereren en dús wordt belast. Het rendement op spaargeld ligt al jaren lager ligt dan het percentage dat hierop door de belastingdienst wordt geheven, maar dat wordt binnenkort geloof ik rechtgetrokken. Maar hoe zit dit bij de oranjes?

Over de hoogte van toelages, belasting en redeneringen blijf ik vraagtekens hebben. En ik ben niet de enige. Volgens Tweede Kamerlid Recourt (PvdA) maakt het kabinet de kwestie nodeloos ingewikkeld. 'Er wordt alleen maar mist opgeworpen',  zei hij in 2016 toen werd geopperd om het koningshuis belasting te laten betalen over hun toelages. Dat zou volgens Rutte maar ingewikkeld zijn, want dan zou eerst de bruto toelages moeten worden verhoogd om daar vervolgen belasting over te heffen. Hè, dus ook dáár geldt dat hetgeen men onder de streep 'hoort' over te houden leidend is? Die redenering hoor ik nou nooit als het om een algehele btw-verhoging gaat. Vreemd.

Over één ding bestaat echter geen misverstand. Op de website van de regering staat: 'Voor de uitkeringen geldt dus dat de uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis de ontwikkeling van het salaris van rijksambtenaren volgen'. Het is dus de bedoeling om de koning als uitkeringsgerechtigde te zien. Een uitkering die ook nog wordt uitgekeerd met zijn eigen beeltenis er op. 

maandag 27 november 2017

Ongemakkelijk

Nadat hij nauwelijks één stap buiten het winkelcentrum had gezet, vroeg hij een andere man om een vuurtje. Dat had die man niet. Zwijgend haalde ik mijn aansteker uit mijn zak en hield de roker een vlammetje voor. Toen hij de brand in zijn shaggie stak, keek ik pas goed naar zijn gezicht, dat ik ergens van kende, maar wist niet meer waarvan. Wel kwam er een vreemd gevoel bij me naar boven. Ongemak.

Hij bedankte me, waarna ik iets sneller dan gebruikelijk het winkelcentrum in liep. Door de schuifdeuren die werden geflankeerd door Sinterklaas en Zwarte Piet, onder hangende Zwarte Pieten door, langs de etalage van de brillenboer met Zwarte Pieten richting slager. Ook daar lachte me op de toonbank een blije Zwarte Piet tegemoet. Ik pakte gretig een paar pepernoten uit zijn mandje en kon het niet nalaten betweterig te vragen of dat nog wel kon vandaag de dag. 'Zwarte Piet bestaat nog steeds hoor!', antwoordde de slagersvrouw met felle blik. Het geloof in Sinterklaas is kennelijk verschoven naar dat in Zwarte Piet. Na het inladen van de stukken koe en kip, deed ik het gesprek af met 'dat volwassenen er een probleem van maken, niet de kinderen.' Dat beaamde ze. Al weet ik vrij zeker dat  probleem in haar beleving niet het zwart betrof. 

Bij de Hema stonden ook twee zwarte figuren bij de deur, maar Jip en Janneke mogen dat. Aan het plafond hingen uitvergrote kartonnen kindertekeningen met een Piet vol zwarte vegen. Alsof het kind geen zin meer had in kleuren. Toen ik er eerder deze week was, riepen twee jongens die na mij naar binnen liepen vrolijk richting kassa: 'We komen niks stelen hoor'. 

Bij de Aldi wilde ik mijn eerder gedane boodschappen even stallen bij de kassa en vroeg een brede man of ik er langs mocht. Toen hij opzij stapte herkende ik opnieuw het gezicht van de roker en wist nu ook waar mijn ongemak vandaan kwam. Maanden geleden stond hij eens achter mij bij het afrekenen. Ook toen stond hij wijdbeens en te dichtbij. Toen mijn pinpas weigerde riep hij iets over een gleuf en zijn vrouw die hem die nacht daar de toegang toe had geweigerd. Ik was niet adrem genoeg om te reageren en deed er het zwijgen toe, ik wil per slot geen zuurpruim zijn. Ook toen beende ik snel van hem weg.

Na vijf minuten sloot ik me met mijn mandje aan in de rij. De roker was gelukkig vertrokken en ik zag hem ook niet meer bij de deur staan. Wel zag ik een vrouw die wachtte op een gaatje tussen twee klanten. Ze was haar fietssleutel verloren en vroeg de kassière of die was gevonden. Toen dat niet het geval was, liep ze langs de wachtenden de winkel in om haar sleutel te zoeken.
------------------

Beste lezer, als u tot hier bent gekomen, wat voor beeld had u bij bovengenoemde vrouw die haar sleutel zocht? En twee alinea's eerder, bij de jongens die na mij de Hema binnenkwamen? Hoe zagen zij er uit in uw hoofd? Waarschijnlijk waren ze blank. Misschien veranderde de kleur in uw verbeelding toen ze zeiden 'niks te gaan stelen'.  Zelf waren ze zich in elk geval erg bewust van het beeld dat anderen van hen hadden. Ter verduidelijking tegen de ongemakkelijk kijkende kassière zeiden ze: 'Dat denken ze toch bij donkere mensen'.  De man die mijn pinpas als zijn geslachtdeel zag, was dan weer wit. Moet u uw beeld van opdringerige donkere man nu bijstellen? De fietssleutelvrouw had op haar beurt een enorme bos kroeshaar, bijeengebonden door een gekleurde doek. In haar oren hingen grote ronde oorbellen. Hoeveel witte wachtenden in de rij dachten toen ze haar zagen aan Zwarte Piet? Ik heb het ze maar niet gevraagd. Beetje ongemakkelijk.

Pieten zijn nu eenmaal zwart en mevrouwen wit. Waarom zouden we niet wat minder in de richting van (stereo-) typering sturen? Omdat u daar ongemakkelijk van wordt? Het is lastig te erkennen dat sommige mannen seksistische opmerkingen maken als een vrouw wil pinnen. Waarop ze zich stil houdt, om geen zuurpruim te zijn. Net zoals je meestal niks zegt als er steevast beveiligers in je buurt zijn als je komt winkelen. Niemand wil een zeurpiet zijn. Als het je nooit overkomt, is oordelen zo makkelijk.

Dit weekend treinde ik door Nederland en zag overal prachtig verklede kinderen. Geen van hen was geschminkt. De verklede volwassenen die hen vermaakten (met het gooien met zwaarden) waren echter allemaal zwart. Misschien moesten we eens een voorbeeld aan kinderen nemen. Iedereen noemt vijf december toch eensgezind een kinderfeest?











woensdag 25 oktober 2017

Ze wil iets wits met een friemeltje.

Ze was een nieuwe klant en ik rekende geen voorrijkosten bij de eerste kennismaking. Of  nou ja, 'kennismaking', het was meer een consult en het stellen van een diagnose: 'Ja, het klopt dat de lekkage in de keuken wordt veroorzaakt vanuit de badkamer op de verdieping erboven'. Maar, zo was mijn devies: zolang het water ín de douchebak blijft, kan er weinig misgaan.  

Ze mailde nederig of ze nog inspraak had bij de kleurkeuze van de tegel. 'Ik ben niet moeilijk hoor, het liefst zoiets als er nu ligt, vierkant en wit met een friemeltje erin.' Ook vroeg ze of er nog alternatieven waren, 'rubber tegels' of zo. 'Die liggen in speeltuinen', antwoordde ik droog.

Het was geen ramp dat ik pas over twee maanden kon komen, hoewel ze de klus liever eerder geklaard zag. Ik zegde toe mijn best te doen -de etiquette der klussers begin ik eindelijk te beheersen- En toen een buitenschilderklus vanwege slecht weer niet doorging was het zo ver, ik kon drie weken eerder dan gepland bezig met het uitbikken van haar badkamervloer. 

Mij was al snel duidelijk dat 'Niet moeilijk zijn', een relatief begrip is. Zo zei ze al bij het eerste consult dat de btw voor haar wel een dingetje was. Ze had per slot maar één studentenpand, wilde er niet te veel geld aan besteden dus als het even kon, betaalde ze me zwart. Of in elk geval een deel. En hoewel deze gewoonte in klusland meer regel dan uitzondering is, hou ik me aan díe etiquette niet. En toen bleek dat de vloer onder de tegels rotter was dan een vergeten appel onderin de schooltas van mijn kinderen, en er eerst een nieuwe vloer moest komen om überhaupt te kunnen tegelen, appte ze: 'Er moet zaterdag wel weer gedoucht kunnen worden. En opgeruimd'. De studenten zelf deden gelukkig níet moeilijk. Die gingen douchen bij de sportschool of een tante.

Ik kende nog een adresje met mooie restpartijen Sfynx en Mosa (gerenommeerde tegelproducenten), maar helaas was er van 'wit met een friemeltje' net niet genoeg. Bij de groothandel lachten ze me bijna uit want wat ik wilde 'was zó jaren negentig' en ook de bij Hornbach en Bauhaus zeiden ze niks voor mij te kunnen doen, iedereen wilde tegenwoordig groot en grijs. Maar 'hebben we niet' dat ken ik niet en na nog wat rondstruinen vond ik iets dat leek op wat er lag: vierkant en wit met een friemeltje. 

Na het breken, krabben, vervangen van een deel van de ondervloer, aanbrengen kimband en het  smeren van een waterdichte laag kwam de klant na haar werk even kijken. Trots sneed ik de doos met tegels open om haar mijn vangst te tonen. Maar, u raadt het al, ze vond ze toch niet zo mooi.

*Stik*

'Nee hoor', zei ik knarsentandend, 'dat is niet erg.' Maar ik adviseerde wel om dan maar zelf naar iets op zoek te gaan.

Een dag later lagen er nieuwe dozen in de gang.
Met grote, rechthoekige grijze tegels.

vrijdag 20 oktober 2017

Praten met pensioenlozen in Londen.

Kort nadat we aan een lange tafel waren aangeschoven op een terras in Camden, vroeg de man naast ons: 'Could I ave a sigaret?' Ik reikte hem mijn geplette pakje shag aan maar kon de herkomst van de bietser pas plaatsen doen hij met een leeg vloeitje in zijn hand naar iets zocht. Sinds de shag zijn herintrede deed in Italië, rollen jongeren er hun sigaretten met een filter. Verbaasd was zijn blik toen ik daar niet in bleek te kunnen voorzien.

Ooit had de Italiaanse overheid het monopolie op tabak. En op zout. Wellicht omdat dit twee van de weinige producten zijn waar men niet zelf in kan voorzien. Zowel rookwaar als zout werden op één plek verkocht. En wie in Italië eens op zoek ging naar een postzegel (of, in mijn geval, een bollo -zegel- voor werk- verblijfs- of andersoortige vergunning) kon die ook vinden bij een zogenaamde 'Sali & Tabacchi' ('cch', uitgesproken als een k, net als in Pinocchio, de k is in het éénentwintig letters tellende Italiaanse alfabet een onbekende). De klare sigaretten die daar werden verkocht heetten 'Nazionali' of  'Alfa' of  'MS' (van 'Monopolio di Stato', in de volksmond ook wel 'Morte Sicura', 'zekere dood' genoemd) of, hoe ironisch, 'Stop'. Bij gebrek aan beter waren ze best te pruimen, of te roken zo je wilt. Ze hadden echter de bijzondere eigenschap dat na één trekje je spijsvertering als een malle op gang kwam en je acuut naar de wc moest. Misschien dat sommige Italianen bij problemen met de stoelgang (net zo'n nationale kwaal als 'de Kreislauf' bij Duisters) daarom zweren bij een sigaret bij de koffie op nuchtere maag.

De bietser op het Londense terras had zelf geen moeite om mijn land van herkomst te raden want er volgde al snel: 'You don't mind if we smoke a joint,.... you are Dutch.' Ga gerust je gang en nee, wij hoefden daar geen hijs van. Al blowend klaagde hij over zijn land. Hoewel, 'zijn land', volgens vriend  Enrico voelde dat niet zo. Hij was een eilander, een Sardijn. Wellicht dat dit het raden van hun moedertaal mij had bemoeilijkt. Hij moest niks van Rome hebben: 'ladri', 'dieven' zaten daar. En zij, de arme generatie van nu, moest het zonder pensioen stellen. Wij hadden het in Nederland zo veel beter zeiden ze. Ik draaide mijn mantra af over belastingschijven. Na een eerste verbazing die me bij zulke gesprekken ook in Iran ten deel viel, gooiden ze nog meer wapens in de strijd. Hun land was volgens hen door en door corrupt en zelfs als je doodging was je voor een uitvaart aangewezen op de maffia. Het verhaal dat mijn vriend en ik beide als zelfstandige ook weinig hadden om naar uit te kijken, sneed volgens hen geen hout. Wij hadden zo immers de mogelijkheid om zelf te sparen voor onze oude dag.
Punt voor hem.
Iets om te onthouden.

Verdere tegenwerpingen over stijgende ziektekostenpremies en eigen risico zouden vast niet worden geloofd door deze mannen uit het land waar een algehele bodyscan op kosten van de staat als eerste levensbehoefte wordt gezien. Aan mijn vriend wilde ik de mop vertellen die jonge Italianen vaak opdissen als de oudere generatie Mussolini ophemelt (geen zeldzaamheid). Oudjes beweren dat toen hij aan de macht was, men de sleutel aan de buitenkant van de deur kon laten zitten. Maar aan de clou, dat er in het straatarm Italië van toen niks wás om te stelen, kwam ik niet toe. Want ook deze dertigers zeiden in koor dat de Duce, hun Fuhrer, degene was geweest die de pensioenen had ingevoerd. Hulde.

Ik moest bekennen dat mijn historische kennis het hier liet afweten. Maar hier in Londen, beiden op vreemde bodem, durfde ik hen te vragen of ik mijn kijk op de wijdverbreide corruptie mocht geven. Nippend aan mijn tweede bierpul oreerde ik dat hun land in mijn ogen een clancultuur was. Dat de familie boven alles gaat, en daarna de straat, de streek, de kerk, de regio. Met haar eigen ongeschreven regels en gewoontes, taal en bovenal trouw. Trouw aan wie je kent. Dienst en wederdienst. Enrico beaamde dat hij vijftien jaar -zwart- voor zijn broer had gewerkt. (Hoe zou het toch komen dat er geen pensioenpot voor hem klaarstaat?) Je familie bevoordelen bij een betrekking hóórt en als een lid van je clan iets heeft misdaan, geef je hem of haar niet aan bij de politie. Dat dóe je gewoon niet. Want de politie en ook de rest van de overheid is corrupt, daar moet je van plukken want zij plukken jou. Als het er op aankomt is alles te koop. Zwart. Geïnde belastingen worden om dezelfde reden in eigen zak gestoken. Krom genoeg is de hoogst haalbare status het bemachtigen van een baantje bij diezelfde overheid. (Tim Parks schreef hier prachtig over in 'Italiaanse buren'). Dan kunt je zelf namelijk graaien en geld vragen voor diensten waar je eigenlijk gewoon salaris (daar heb je dat 'sale', 'zout' weer) voor krijgt (en pensioen opbouwt). Als je niet belazert wilt worden, moet je zelf de boel flessen. Iedereen heeft boter op zijn hoofd. Wie het anders probeert is een nestbevuiler en speelt met zijn of haar leven.

Na mijn donderpreek met als strekking dat Italianen zélf de corruptie in stand houden en een goed georganiseerd maffia doen floreren, leek een veer in de kont van de alfamannetjes (de Poolse vriendin zat zwijgend aan het andere uiteinde van de tafel) mij wel gepast. Want dat diepgewortelde wantrouwen in een overheid mag in vredestijd onwerkbaar zijn, in tijden van oorlog kan het levens redden. Ik vertelde hen hoe het mede door de gezagsgetrouwheid van de Nederlanders kwam dat er naar verhouding nergens zo veel joden zijn afgevoerd als in Nederland. Pas toen men aan het eind van de oorlog goed doorhad wat er met hen gebeurde, en er tevens buiten de randstad genoeg onderduikadressen beschikbaar waren, was het te laat. Iedereen was geregistreerd, alles was dichtgetimmerd, men kon geen kant meer op. In Italië daarentegen, waar men altijd al weinig opheeft met wat machthebbers opdragen, konden partizanen voor veel joden een veilig heenkomen vinden.

De Italianen glommen van trots. Kennelijk gaat een adoratie van Mussolini en het joodse volk goed samen. Volgens hen was heden ten dage de vluchtelingenopvang in handen van de maffia. Zij organiseren de opvang en strijken het geld op. Maar misschien voelt dat voor mensen die anno 2017 een veilig heenkomen zoeken wel als thuiskomen. En ervaren vluchtelingen Nederland, waar je voor alles de juiste papieren moet invullen en waar je voor een gemist stempel kan worden uitgezet juist als onbegrijpelijk, koud en anoniem. In Italië gaat het net als veel landen in het Midden-Oosten of Noord-Afrika om wie je kent, waar je bijhoort. Daar ben je trouw aan.

Toen ik in 1987 mijn eerste schreden zette in mijn Italiaanse avontuur, werden er op de Campo dei Fiori te Rome explosieven naar binnen gegooid bij café 'Om Shanti'. Waarschijnlijk had het café verzuimd of geweigerd de 'pizzo' te betalen. De 'belasting' aan de maffia waar je hun 'bescherming' mee koopt. Vaak volstaat zo'n 'waarschuwing' wel. Iedereen weet dit. Waarschijnlijk zijn de daders nooit gepakt of is er zelfs maar een onderzoek naar de aanslag gestart. Men kijkt wel uit.

Een maand geleden sprak ik met iemand die op vakantie was geweest in Kaboel. Hij vertelde dat er wel eens een bom ontplofte, dat mensen daar dan hun schouders over ophaalden maar dat het werkelijke probleem de corruptie was. Die er zo wijdverbreid en geaccepteerd is, dat het opbouwen van een betrouwbaar overheidsapparaat haast onmogelijk is. Volgens de bietsers in Londen bepaalt in Italië de maffia wanneer er vuilnis wordt opgehaald, welke aannemers opdrachten krijgen, waar je te grave wordt gedragen èn wie er het land in komt.


Als twee dagen later de Eurostar bij Calais uit de tunnel komt, rijden we tussen metershoge hekken met prikkeldraad door. Op Malta blogt intussen Daphne Caruana Galizia, een columniste die  corruptie, zelfverrijking en vermenging van de boven- en onderwereld aan de kaak stelt: "There are crooks everywhere you look now. The situation is desperate"  (Het zijn allemaal zwendelaars, de situatie is hopeloos.) Een dag later ontploft de bom die aan haar auto is vastgemaakt. Ze is op slag dood. Dat gebeurt er met nestbevuilers die ontrouw zijn de ongeschreven regels van hun land. Malta heeft Nederland gevraagd om het onderzoek naar de moord te leiden.

Misschien moet ik daar als geboren Hollander trots op zijn.




vrijdag 29 september 2017

Mijn zus eet uit de prullenbak

Mijn zus eet uit de prullenbak. Of, beter gezegd, uit een container. En dan bedoel ik niet containers die in stapeltjes van drie dienen om studenten te huisvesten maar zo'n bak op wielen achter een supermarkt waar afval in wordt gedumpt. En ze is er nog trots op ook. Sterker nog, de meeste van de foto's die ze in de familieapp plaatst, zijn stillevens van haar vangst. 'Oogst', noemt ze het zelf.

Ze heeft verder een keurige betrekking op een school alwaar ze kindertjes van expats (eufemisme voor gelukszoekers) Nederlands bijbrengt. Ze doet elke dag de afwas, veegt dagelijks haar keukenvloer en houdt een oogje in het zeil bij haar bejaarde buurvrouw. Roken of drinken doet ze niet en 's morgens zet ze cafeïnevrije koffie met melk en een beetje suiker. Op de terugweg van haar werk gaat ze om de dag langs 'haar' container en stopt dan de 'boodschappen' in haar fietsmandje. Naast de voorleesboeken voor kleuters. Keuzestress over wat ze zal koken is haar vreemd en ze heeft over variatie op het menu weinig te klagen. Soms moet de oogst worden verwerkt en staat ze opeens twee kilo asperges schoon te maken of inspireert een vangst haar tot het bakken van een taart vol bosbessen. Die rijper zijn dan je ze in het schap ooit aantreft.

Eigenlijk is er weinig verschil met wat er in mijn achtertuin groeit. Alleen heeft mijn zus geen last van ziektes als meeldauw op de courgettes of kroprot in de sla. Qua fruit stel ik me tevreden met de twee (!) appels die in mijn boom hangen. Aan het kweken van bananen en avocado's waag ik me voorlopig maar niet.

Mijn zus hoeft ook geen concurrentie te vrezen. Maar bij mij smullen slakken met of zonder huis van de aardbeien, meent de kat dat het geschoffelde bedje prei een ideale kattenbak is en gunnen de mussen mij geen rijpe boontjes.

Ook bespaart ze zich het werk van het opbinden van de komkommer, het dieven van de tomaten en het toppen van de basilicum. Er wordt bij haar op hete dagen geen kostbaar drinkwater aan sproeien verspild en tot slot bespaart ze er ook nog eens geld mee.

Het zal vast niet lang meer duren totdat Sire met een kliekjescampagne 2.0 komt: 'Eet meer afval' 


Afval








 
Ook afval (uit Turkije)
 
Fruitsalade uit de container!


Deze hebben wel pitjes

maandag 25 september 2017

De redacteur

Met mijn fiets aan de hand en net opgestoken peuk vraag ik me af hoe Amsterdam in zo'n korte tijd zo veranderd kan zijn. Maar na het uitblazen van de rook, zie ik het muziekgebouw aan het IJ en het aanmerende pontje uit Noord. Ik ben aan de verkeerde kant van het Centraal Station beland. Teruglopen naar de andere kant lijkt me met fiets nogal een gedoe, de recente beknelling tussen de poortjes van de Parijse metro staat me nog helder voor de geest. Ik rij er omheen. Over het plein met de 'shared space': voetgangers en fietsers kris kras door elkaar. Onder de nieuwe fietstunnel door, waar op een blauw-wit tegeltableau woeste schuimkoppen rond schepen met VOC-mentaliteit dansen: 'Neerlands trots onder het spoor.' 

Hier is dan dat Amsterdam, waar 'bewoners' zich niet meer thuis zouden voelen omdat stadgenoten hun huizen via Air-BNB verhuren. Waar taxibedrijven elkaar op leven en dood beconcurreren. Ben benieuwd wie van hen terug zou willen naar het Amsterdam uit 'Zondagsgeld' van Philip Snijder. Toen er zo veel troep in de Bickersgracht werd gedumpt, dat er eilandjes aan de oppervlakte verschenen. 

Aan de goede kant van het station bewonder ik de in steigers en gaas verstopte gevel. Een kudde Duitse scholieren trekt ratelend hun koffers achter zich aan. De bel van een tram klinkt als iets uit een vorig tijdperk, maar werkt nog prima: een Frans gezin springt geschrokken van de rails. Dan word ik, tien minuten na mijn aankomst, naar de weg gevraagd, in plat Amerikaans. Voor mij als Groninger die is behept met een straatnamenfetisj -ik liep mijn roeping als postbode mis-, is er geen beter welkom denkbaar. Met misplaatste trots wijs ik hen de weg. Ze zochten het station. 

Er tegenover staat het huisje dat een hoofdrol speelt in 'Publieke werken'. De schrijver van dat boek, Thomas Roosenboom, heeft zich volgens deze Mark nogal wat literaire vrijheden gegund. Hoofdpersonen zouden zich niet hier maar in Duitsland en Hoogeveen bevinden. En de verfilming is grootdeels in Hongarije gedraaid. Best handig, omdat het Victoriahotel dat om het huisje is gebouwd er nog niet stond in de tijd dat het verhaal speelde. Terwijl ik bedenk dat ik noch het boek las, noch de film zag, attendeert een man me op een loshangende snelbinder. En nee, ook dit was geen truc om me te bestelen. 

Mijn route gaat langs de Schreierstoren, over de Gelderse kade naar de Nieuwmarkt, waar je twee eeuwen eerder niet op weedlucht werd vergast maar een luguber spektakel kon zien: "het verminken der ledematen of der zintuigen, als het afsnijden der ooren, het uitsteken der oogen, het splijten van den neus, het opensnijden van de wang enz." Na twee keer links en rechts - als ik mijn hand uitsteek voel ik me tamelijk provinciaal- is er geen toerist meer te zien. Hier verschillen de bankjes op de stoep en bloemen in melkbussen niet veel van wat men in de straatjes van pakweg Appingedam aantreft. 'Snoekjeskade', lees ik op de gevel. Nooit van gehoord. 

De ochtend erna vraagt mijn moeder in mijn eigen Air BNB aan de Amstel welke koffie ik wil. Mijn vader vouwt een plattegrond open en zoekt de snelste weg naar de schrijfdag in Diemen. Of all places. Wellicht zijn zaaltjes daar voor een lager tarief te huur dan in deze metropool itself. 'Is het beter om de ringdijk te volgen of is de weg door Watergraafsmeer toch korter?' Ik mag de kaart wel mee, zegt hij. Maar mijn navigatie staat al aan. Internet is de doodsteek voor hulpvaardige vaders. Al heeft de mijne een hippere I-phone dan ik. 

Ik fiets langs borden die me oproepen om bij verdachte situaties 112 te bellen. Op de halve naakten in de tuin van Frankendael zit een groen waas. Aan de ene kant van de rechte weg die me naar Diemen voert staat een hekwerk met fraaie foto's van verstilde taferelen. Foto's die achter de tralies en rododendrons grafzerken doen vermoeden. Links wachten voetbalvelden op wat komen gaat. Op weg naar de schrijfdag fiets ik over de Middenweg tussen de doden en de levenden door. Straks zal Arthur Japin spreken en redacteuren houden lezingen. Eén van hen ken ik nog van vroeger, toen hij nog een soort van familie van mij was. 

In Diemen lijken de straatnaamborden in de ban gedaan. Die mening is ook Lidewijde Paris toegedaan, zo hoor ik haar uitroepen als ze met stapels boeken binnenstormt in theater 'de Omval'. Ik heb dan nog geen idee wie ze is. Lidewijde komt uitleggen hoe je leest, aan ons debutanten in spé. Die zich tussen de lezingen door in de kijker proberen te spelen bij redacteuren en uitgevers, of zelf worden warm gepraat door schrijfcoaches. Tussen het blonde, witte vrouwvolk dat van heinde en verre naar deze schrijfdag komt, hoef ik niet meer bang te zijn om op te vallen. Al wil ik dat nu juist wel. 

De redacteur die ik ken staat buiten te roken. Hij herkent me: 'Hé, jij ook hier?'. We zoenen elkaar gedag. (Of moet dat anders geformuleerd, als het een weerzien is?) Ook ik ben verbaasd, ik had in hem, een keurige familieman met koningspaar uit een Vinexwijk, geen roker vermoed. Ooit was ik te gast op zijn bruiloft, hij kwam op kraamvisite bij mijn tweede en ik weet dat zijn dochter de naam van een bestseller draagt. Het wordt vandaag zijn eerste lezing. Hij oogt nerveus, pielt wat met zijn smartphone en zegt dan dat zijn vrouw niet weet dat hij rookt. "Dat ruikt ze toch'', flap ik er uit. Maar hij heeft een dekmantel, hij gaat vanavond nog naar rocktempel Paradiso. Ik volg je op twitter, zeg ik nog. 'O ja, dat vergeet ik altijd', zegt hij, 'dat mensen mij volgen.

De hele dag horen we verhalen over slush piles, showing & telling en suspension of disbelief. Hier en daar krijgen we een inkijkje in het thema van iemands levensverhaal/ roman in wording: "Hoe overleef ik twintig jaar met een vrouwenhater". 

De laatste spreker is een Vlaamse. Ze leent zich goed voor de oefening om aan 'personages eigenschappen toe te dichten'. Braaf fantaseer ik met wie deze vrouw, met kaarsrechte pony en strenge bril, het bed deelt. En hoe. Er lopen een paar toehoorders de zaal uit. Zou mijn verzonnen hete Vlaamse te luid zijn geweest? 

Gelukkig bleven bij de redacteur die eens familie was de toehoorders wel zitten. In navolging van zijn advies 'maak geen strikte scheiding tussen wat is en wat zou kunnen' bedenk ik dat zijn speech wellicht door zijn vrouw is geschreven en dat het door hem aangehaalde ingedutte huwelijk misschien op hen slaat. Of, en dat is een lievere aanname, staat het boek van van Marissing met als thema de verwijdering tussen twee echtelieden na de komst van een kind hem nog helder voor de geest (en voilá, de tweede 'heldere geest' in deze longread. Foute boel). Of hangen zaken samen? Je ziet wat je wilt zien slaat zeker ook op lezen. 

'Het begint met het besef dat de levens die u schept in de verzonnen wereld (...) onlosmakelijk zijn verbonden met uw eigen bestaan in de werkelijke wereld.' Dat heeft hij mooi gezegd, of beter nog: mooi geschreven (of zíj, who knows?) Want wat ik hem mee zou willen geven is dat geschreven en gesproken tekst wezenlijk anders zijn. Bij het nalezen van zijn speech 'leeft' die wel, maar zo door hem opgelezen van blad een stuk minder. Misschien struikelt hij om een andere reden over zijn woorden. Was hij zonet buiten druk aan het appen met zijn geheime date? Die straks breed lachend en knetterstoned tegen hem aanrijdt in Paradiso. Of achter de bosjes van het verstilde Frankendael. (Ja, Geert Kimpen, ik heb goed opgelet bij uw les over dat 'planten'; anekdotes eerder benoemen omdat er later in het verhaal nog iets mee moet). Want waarom benoemde hij de twee manuscripten die in zijn auto lagen, (maar niet mocht lezen van zijn vrouw omdat het zondag was) maar liep hij na de schrijfdag richting trein? 'Ook als u tot de conclusie komt dat de werkelijkheid te veel beperkingen heeft om antwoord te geven op uw vragen, en er dus voor kiest om uw verhaal in romanvorm te vertellen, is dat nog niet meteen een reden om de domeinen van wat is en wat zou kunnen strikt van elkaar te scheiden.' 

Na de lezing zit hij in het redacteurenhoekje waar hij de één na de andere bezoeker te woord staat die hun ongetwijfeld unieke manuscript meenamen. Ik drink bier, hij cola. Dan roep hij er een organisator bij: "Dit zijn de laatste twee waar ik mee praat en dan ga ik nog een peuk roken met Lehti". Verbaasde hoofden draaien zich naar me om. Had die dame van Querido ons niet bezworen dat je iemand moest kénnen uit de uitgeversscene, denken ze wellicht. Ik lach schaapachtig en realiseer me dat hij mijn manuscript al eens las. Nu zit het ergens in de catacomben van mijn gecrashte Mac. 

Buiten toon ik bewondering voor zijn geduld. En in plaats van hem opnieuw wat van mijn verhalen  in de hand te drukken, plaatst hij me náást zijn functie: 'Die vrouw met de hoed was wel interessant, heb je haar gezien? Het klonk alsof ze uit een ander milieu kwam, ik heb haar mijn mailadres gegeven, 's kijken of ze ook met woorden overweg kan.'  Ik zag veel vrouwen, maar geen hoed. Shit, denk ik dan, heb ík zijn mailadres eigenlijk wel? Dan dicht ik mezelf de rol van strenge recensent toe. Hij bedankt me hartelijk voor de tip om vragenstellers uit de zaal in het vervolg even de microfoon te geven. Dat ook zijn spreektempo en ademhaling enige aandacht behoeven hou ik wijselijk voor me. Net als zijn tweet waarin hij ageerde tegen mensen die antidepressiva als zinloos afdoen. Ik zeg er niks over. Vraag er niet naar. Pijnlijk ervaar ik hoe veel moeilijker sommige onderwerpen in het echte leven zijn dan er iets over te schrijven. 

Hij steekt er nog één op. Hij kreeg goede feedback, zegt hij. Sommigen zagen in hem een stand-up comedian. Gemeen voeg ik er aan toe dat zij bij hem iets te halen haddden. 'Jij toch ook?', zegt hij adrem. Hij heeft gelijk. Mijn schrijfsels of link naar hier, durf ik hem niet te geven. Wel probeer ik hem te teasen met iets dat er niet meer is: dat dit blog tien jaar geleden begon met kinky verhalen. Zijn interesse is gewekt. Seks sells. Maar na de melding dat het hier nu netjes gekuist is, slaat het gesprek dood. 

De lastigste bezigheid in het schrijfproces zit hem in het schrappen. En dan bij voorkeur de stukken waar je van bent gaan houden. Daar is een prachtige, alweer Engelse term voor: 'Kill your darlings'. 'Als je tweeduizend woorden hebt, probeer er dan driekwart van te schrappen'. Dat ik niet erg moordzuchtig ben aangelegd blijkt uit dit schrijven dat 1999 woorden telt. 

Vierentwintig uur na mijn aankomst op Amsterdam CS, til ik mijn fietsje weer uit de trein in mijn thuissstad Groningen. Hoewel ik hier niet opgroeide. Voor het station hoor ik flarden van een Grieks gesprek. Voor het Groninger museum zingt een bluesgitarist zijn geld voor een paar biertjes of overnachting bij elkaar. Op het Zuiderdiep zitten terrassen vol met mederokers en vreemdgangers en zelfs op dit late zondagse uur speelt er een heus bandje in de Folkingestraat. Een meisje met blauw haar haalt me in op haar longboard, ik fiets langs de school die de redacteur bezocht (hij groeide hier wél op), over het Damsterdiep en dan dwars over het Europaplein. Deze Martinistad heeft geen krant nodig om op te scheppen over één zogenaamde 'shared space'. Hier gaan op kruispunten alle fietsverkeerslichten tegelijk op groen. Voor elke richting. Dat levert in de spits een prachtig schouwspel op. Geen Stadjer die zich daarvoor op de borst klopt. Het werkt gewoon. 

Of datzelfde voor mijn debuut geldt moet nog blijken.